Deformatie

Deformatie

 

Op de deur stond: verboden toegang voor onbelangrijke mensen. Ik begreep onmiddellijk dat ik dus mocht doorlopen. Met een tevreden glimlach opende ik de deur.

Het eerste wat mij opviel waren de enorme stapels papier die overal in de kamer stonden, zo hoog dat zij bovenin iets heen en weer wiegden. De hele kamer stond er vol mee. Aan één stapel hing een bordje waarop stond: ‘breekpunten’. Ergens in de hoek stond de grootste stapel, met een bordje: ‘medisch-ethische vraagstukken’.

In het midden zaten vier mannen aan een tafel ruzie te maken. Op de tafel stond nog zo’n torenhoge stapel papier. ‘Laatste hobbels’ stond op het bordje dat eraan hing. ‘Bent u nu helemaal knettergek geworden! We moeten juist meer geld uitgeven aan defensie! En nee, we moeten eenverdieners juist de ruimte geven!’ De man die zich aangesproken voelde, liep rood aan. ‘Knettergek, knettergek? Wát zegt u?’

De derde man mengde zich in de discussie. In een poging om de ontspoorde woordenwisseling weer op de rails te helpen, veranderde hij van onderwerp. ‘Jongens, wat gaan we zeggen over de spoorwegen? Privatiseren of toch een staatsbedrijf?’

Het was echter al te laat. In al zijn balsturigheid had de tweede man de eerste bij zijn stropdas gegrepen. Hun vertoornde gelaten waren nu vlak bij elkaar. ‘Zoek je ruzie, schelm’, siste hij in het gezicht van zijn opponent. Waarop de eerste zijn tegenstander begon te onderwerpen aan een onaangekondigde gezichtsverbouwing.

De derde man wierp zich nu ook in het gevecht. Het was echter niet duidelijk wat hij en wilde en welke partij hij steunde. De ene keer begon hij het achterwerk van de tweede man te bewerken, de andere keer trok hij de eerste aan de oren.

Met een ongelukkige blik volgde de vierde man de ontwikkelingen. Ook hij wist niet goed partij te kiezen. Hij probeerde manmoedig met krachtige betogen over wederkerige solidariteit in Europees verband het tij te keren, maar niemand luisterde. Vervolgens probeerde hij met een slap grapje de saamhorigheid te bevorderen, maar niemand lachte.

Plotsklaps kwam een vijfde man binnen.

Allen keken op. ‘Mijn naam is Zalm,’ begon hij. Bij het horen van die naam barstten de aanwezigen uit in luide schaterlach. Hierop werd deze Zalm zo kwaad dat hij klappen begon uit te delen. Onmiddellijk keerde de voltallige vergadering zich echter tegen hem. Met vier tegen één was de strijd snel beslist. Een der mannen opende het raam, waarna de heer Zalm pardoes naar buiten werd gesmeten. Het geluid van een krachtige plons verried de plaats van aankomst: de Hofvijver.

Ik dacht dat hiermee alles voorbij was, maar niets bleek minder waar. Opnieuw zwaaide de deur open. Een lakei stapte binnen en hij riep: ‘De Koning!’ En jawel, daar was werkelijk de koning, mèt kroon, hermelijnen mantel en in militair uniform. Zijn uniformjasje hing scheef van de medailles.

Het werd ademloos stil.

‘Allemaal naar huis jullie,’ sprak hij op zachte maar besliste toon. ‘Is ons dat een toestand! Foei!’ Beschaamd keken de mannen naar de grond. ‘Maxima en wij hebben overlegd: Wij zullen zelf weer een kabinet formeren. En aangezien niemand van jullie geschikt is als premier, gaan wij een ander aanstellen. Misschien die Dijkgraaf wel. Zijn oranje stropdassen behagen ons, en hij is een zakelijke vent. Jullie zijn allemaal ontslagen!’

Tevreden zag ik aan hoe de kamer leegliep. De stapels papier waren ook verdwenen.

 

Maar mijn droom werd ruw verstoord. Want toen ging de wekker.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *